Ontstaan

'Meisjes en wiskunde horen niet bij elkaar' en toen ik als tiener besloot dit vak te gaan studeren, zei ik dat niet. Mijn  besluit stond vast en ik had geen behoefte aan afwijzingen. 
De wiskunde die mij op de middelbare school werd onderwezen, stond los van inhoud. Ik genoot van die denkwijze maar kon hem niet toepassen op mijn eigen vragen over zaken die in de wereld om mij heen gebeurden noch in de artikelen  die daarover verschenen.
Van de wiskunde werd gezegd dat je er helder van leerde denken. Volgens mij moest er dan ook een directe manier zijn om dit te leren. Met een wiskundestudie zou ik geschoold worden in dit heldere en van inhoud onafhankelijke denken.
Eenmaal afgestudeerd, in 1960, wilde ik mijn kennis toepassen en solliciteerde bij een aantal bedrijven die me wellicht konden gebruiken. Dat klopte en ik koos voor een positie als wetenschappelijk medewerker bij de theoretische afdeling van het FOM Instituut voor Plasma Fysica. Daar leerde ik theorie en praktijk voordurend aan elkaar te koppelen. In de wiskunde hoefde dat niet. Maar om de kennis over natuurkundige verschijnselen te verbeteren, moet je er nieuwsgierig naar zijn. Daar lag mijn oorspronkelijke belangstelling niet.
Ik zocht daarom naar toepassingen met plaats voor mijn eigen vragen en vond die in 1967 bij het Planologisch en Demografisch Instituut aan de UvA
Om de planologische literatuur inhoudelijk te kunnen volgen, was ik aangewezen op de kennis van collega's en studenten. Ik kende hun jargon niet en zij hadden mij nodig om in de literatuur voorkomende wiskundige toepassingen te kunnen plaatsen. 
Dat bleek een goede uitgangspositie voor een vruchtbare samenwerking. De planologen zorgden voor de vragen en inhoud en ik voor orde en structuur.
Dit werd het begin van de integratie van het wiskundig en  inhoudelijk denken over vragen vanuit de maatschappij.

Verkenning

Mijn aandeel bij het zoeken naar antwoorden was iedereen duidelijk. In de literatuur vonden we echter geen theorie├źn die we bij de planologie konden gebruiken. 
Aan ruimtelijke inrichtingen wordt de eis gesteld dat de bijbehorende berekeningen van ingenieurs en economen kloppen. Zij moeten ook voldoen aan de eisen die uit wetgeving voortvloeien en die gebruikers aan hun omgeving stellen. Dergelijke eisen zijn normatief en de wiskunde is beperkt tot objectieve kennis. 
Met mijn onderwijs was ik aanvankelijk aangewezen op artikelen waarin wiskunde werd toegepast, ook al waren die niet toegesneden op de vragen waarvoor we een oplossing zochten. 
Een eerste succes boekte ik met het gebruik van een checklist, ontwikkeld voor de  aanpak van wiskundeopgaven. Twaalf studenten pasten hem toe bij een analyse van de informatie in bestemmingsplannen en verzonden 400 exemplaren van hun resultaat naar verschillende belangstellenden. Verslag van het werkkollege 'Analyse van de inhoud van bestemmingsplannen' (1973) 
Later stelde een van de studenten me voor de formele logica in mijn onderwijs de te behandelen.  
Ik vond dit een goed idee. De formele logica werkt symbolen die - onder andere -op gelijkheden, voegwoorden, onbepaalde hoeveelheden en verzamelingen (dingen en relaties) worden toegepast. De studenten konden echter niet werken met die formele taal en wilden voorbeelden waar zij wat mee konden.
Ik daagde hen op mijn beurt uit om zelf teksten te leveren en dat werkte. 
Dat werd ons eerste succes. Het waren de studenten die voorbeelden gaven van zinvolle toepassingen. Hiermee werd mijn  verkennende fase afgesloten.

Vervolg in kolom hiernaast